En dan opeens bedenkt Jeroentje iets. Iets
niet zo vro-
lijks. „Mama nou?" vraagt hij met een bedroefd stem-
metje aan Erik. „Mama noue bleve?"
„Je mama is boodschappen doen," zegt
Erik.
„Bood-schap-pen!"
Jeroentje kijkt hem verdrietig aan. „Mama
eige
huis?"
„Nee. Je mama is niet naar haar eigen huis.
Ze komt
zo terug."
Erik knikt bemoedigend naar Jeroentje, maar
die
kijkt steeds zieliger. „Wanneer komen ze eigenlijk
terug?" roept Erik naar de keuken.
„Vanavond pas!"
„Ai." Hij kijkt nog eens naar Jeroentje, die
stilletjes
naar de deur loopt.
„Mama toe," mompelt hij en hij gaat de gang
in.
Tegen de voordeur geplakt blijft hij staan huilen.
„Hij heeft heimwee naar zijn moeder," zegt
Erik
tegen Bob. „Wat kunnen we doen?"
„Ik ben nu even bezig!" roept Bob. Hij
draaft haas-
tig van het fornuis, waar blauwe wolken uit de koe-
kenpan komen, naar de kom met pannenkoeken-
beslag. Erik loopt terug naar de gang.
Jeroentje staat nog steeds aan de deur
geklemd, zijn
gezichtje vol tranen. „Mama toe! Joentje eige huis!"
Erik gaat naar hem toe en doet een arm om
de
kleine schoudertjes. „We hebben hier een heleboel
leuke dingen, hoor," zegt hij en kijkt zo vriendelijk
als hij kan. „Boekjes bijvoorbeeld. Zullen we een
boekje lezen?"
Van achter twee tranen kijkt Jeroentje hem
even
aan, maar dan draait hij zich weer naar de deur.
„Niette boekje, mama toe!"
„Wil je dan limonade misschien? Zal ik
limonade
voor je maken, Jeroentje?"
Maar Jeroentje hoort het niet eens. Mama toe
wil
hij, en verder niks.
Erik loopt naar de keuken. „Waar is dat
drinkbeker-
tjevan vroeger?"
„Drinkbekertje?"
„Ja, je weet wel, van toen ik klein was."
Bob kijkt hem eerst een tijdje aan alsof hij
aan zijn
eigen zoon begint te twijfelen. Dan wijst hij naar
ergens boven in de kast. „Wat ga je dan..." begint
Bob.
Erik klimt ondertussen op een kruk. Hij ziet
de
beker tussen een stapel oude schoteltjes en twee stof-